De (mythe van de) leerstijlen

"...laten we maar met de deur in huis vallen, er is geen enkel bewijs is voor het bestaan van leerstijlen."

Leerstijlen zijn de grootste mythe in het onderwijs. Toch denkt meer dan 90% van de leraren in Nederland dat individuen beter leren als zij informatie ontvangen in hun leerstijl (Howard-Jones, 2014). Als onderdeel van differentiëren, maatwerk en/of gepersonaliseerd onderwijs steken leraren mogelijk veel tijd en energie in het aansluiten op verschillende leerstijlen. Terwijl, laat ik maar met de deur in huis vallen, er geen enkel bewijs is voor het bestaan van leerstijlen.

Wat zijn leerstijlen?
Bij leerstijlen wordt er van uitgegaan dat leerlingen, omdat ze verschillend zijn, óók verschillend leren. De ene leerling leert bijvoorbeeld beter door te doen en een ander door te luisteren. Of dat de ene leerling auditief is ingesteld en een andere leerling visueel.  De meest bekende leerstijl onderscheidt vier niveaus: visueel, auditief, lezen/schrijven en kinesthetisch (beweging). Andere bekende leerstijltheorieën zijn die van Kolb (denker, doener, dromer en beslisser) en Gardner (multipele intelligenties zoals muziek- of beeldslim). Eén ding hebben de verschillende leerstijltheorieën met elkaar gemeen: ze gaan ervan uit dat iemand beter leert als hij informatie aangeboden krijgt in lijn met de voorkeursleerstijl.

Klinkt logisch
Het klinkt inderdaad logisch en is heel herkenbaar. Jij bent misschien een beelddenker, terwijl je collega juist heel auditief is ingesteld. Bovendien sluit het idee van leerstijlen goed aan bij het wereldbeeld dat ieder mens uniek is. En dat klopt ook, de ene kan beter lezen en de ander heeft een beter ruimtelijk inzicht. Door deze herkenning en gevoel van eigenheid is men geneigd om te denken dat de leerstijlentheorie waar is. Er zijn verschillen tussen mensen (en dus ook leerlingen), maar dat is geen bewijs voor de effectiviteit van lesgeven in de leerstijl van leerlingen. 

Aanname
De aanname is dat mensen beter leren als zij de lesstof zo aangeboden krijgen dat het past bij hun leerstijl. Deze aanname is relatief eenvoudig te onderzoeken met een experiment. Eerst inventariseer je de leerstijlvoorkeuren van een groep mensen. Daarna verdeel je de leerlingen willekeurig over twee (of meerdere) leerstijlgroepen. Bijvoorbeeld auditief en visueel. Je verwacht dat mensen die leskrijgen die past bij hun leerstijl, beter presteren dan mensen die in een andere leerstijl les krijgen. 

Onderzoek

Er is veel onderzoek gedaan naar leerstijlen. En uit bijna al het onderzoek blijkt dat mensen niet beter presteren in hun eigen leerstijlvoorkeur! Leren is een complex cognitief proces en is vooral afhankelijk van andere factoren. De leerstijltheorie is wetenschappelijk omstreden en meerdere malen ontkracht (lees ook: Kirschner, 2017; Riener & Willingham, 2010; Rubens, 2016). Kortom: er is geen bewijs dat leerlingen beter of meer leren door aan te sluiten op leerstijlen.

Variatie is essentieel
Wat werkt dan wel? Dat is een goede vraag! Leren is complex, dat weet jij als leraar als geen ander. Maar één ding is zeker: niets werkt altijd. Variatie is essentieel bij het leren. Als je als leraar alleen maar aan het woord bent, komt dat het leren niet ten goede. Daarnaast is een actieve verwerking van de stof zeer belangrijk.  Bovendien is de geschikte didactiek afhankelijk van de (vak-)inhoud. Voor het leren van muziek is audio logischerwijs belangrijk en voor topografie is het visuele aspect belangrijker. Voor leerlingen is het goed om met verschillende vormen van instructie en verwerking in aanraking te komen. Werkt het niet? Dan probeer je iets anders! Snapt de leerling het nog steeds niet? Dan probeer je het weer op een andere manier. Kortom: de essentie van leren en lesgeven. 

Combineren van beeld en geluid 
Naast variatie is er nog een bewezen krachtig element bij leren: het combineren van beeld en geluid. Dit wordt de dual coding-theorie genoemd (lees ook: https://www.vernieuwenderwijs.nl/dual-coding-codeer-leerstof-dubbel-in-je-brein/). Als je gesproken instructie combineert met (ondersteunende) beelden, verbetert dit het leren. Dit geldt alleen als de beelden niet dezelfde tekst bevatten als de gesproken instructie. Een goed voorbeeld hiervan is een presentatie met veel tekst dat je letterlijk voorleest. Dit werkt niet, omdat mensen die tekst kunnen horen óf lezen, maar niet beide tegelijk. Als je een presentatie gebruikt met ondersteunend beeldmateriaal, waarbij de audio iets toevoegt aan het beeld, dán krijg je te maken met de magie van dual coding. En onderzoek bevestigt het keer op keer: de combinatie van visueel en auditief leren werkt beter dan één van beide.

Felmen Schinkel
Onderwijskundig vormgever

Benieuwd hoe wij u kunnen ondersteunen, vraag een gratis adviesgesprek aan.

Meer over dit thema